run

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • run

Werkwoord

vervoeging van
runnen

run

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van runnen
    Ik run.
  2. gebiedende wijs van runnen
    Run!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van runnen
    Run je?


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
run runs

Zelfstandig naamwoord

run

  1. loop, tocht
vervoeging
onbepaalde wijs to run
he/she/it runs
verleden tijd ran
voltooid
deelwoord
run
onvoltooid
deelwoord
running
gebiedende wijs run

Werkwoord

run

  1. rennen
  2. beheren, besturen
Uitdrukkingen en gezegden
  • (figuurlijk) a run for money
    • de resultaten die iemand verwacht
  • to be on the run
    • weglopen van iets of iemand
  • to run into somebody
    • iemand toevalling ontmoeten
  • to run into something
    • iets onverwachts of onplezant ondervinden
  • to run from somebody
    • weglopen van iemand
  • to run at
    • naar iets of iemand lopen
  • to run with someone
    • in een groep of bij iemand blijven
  • to run over something
    • iets overrijden
  • to run out of time
    • geen tijd meer hebben
  • to run scared
    • zich gedragen alsof er iets mis zal gaan
  • to run the show
    • commanderen
  • (figuurlijk) got to run
    • gezegd wanneer iemand weg moet gaan
  • to run along
    • vertrekken
  • to run short of something
    • weinig van iets hebben
  • to have a good run
    • success hebben
  • to run an errand
    • een korte tocht nemen om een opdracht te doen
  • to run and run
    • een onderwerp waarin mensen lang in geïnteresseerd zijn
  • to run for life
    • van iets weglopen om je leven te redden
  • to run for it
    • snel van iets weglopen
  • to run in the family
    • een karaktertrekje dat veel of alle familieleden hebben
  • (figuurlijk) to run out of steam
    • momentum verliezen