Naar inhoud springen

race

Uit WikiWoordenboek
  • race
enkelvoud meervoud
naamwoord race races
verkleinwoord raceje racejes

deracev/m

  1. wedstrijd waarbij het erom gaat een bepaald traject of parcours zo snel mogelijk af te leggen
     Zo lezen we in de officiële aankondiging het volgende: Het Olympisch Comité van Mudenlok in Engeland, heeft een extra prijs ter beschikking gesteld van 10 pond sterling [Z81 drachmes - en een fors bedrag in die tijd] voor de winnaar van de hardloopwedstrijd; dus zal de winnaar van de race naast de 100 drachmes waarin de reglementen voorzien, genoemde prijs ontvangen dankzij de vriendelijke generositeit van het Mudenlok Olympisch Comité.[2]
     Toen rechtte ze haar rug en terwijl ik me door de race heen worstelde en moeite moest doen om Mordecai bij te houden en al borstcrawlend om de laatste plek vocht, zag ik nog net hoe ze al onze bewegingen volgde.[3]
vervoeging van
racen

race

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van racen
    • Ik race. 
  2. gebiedende wijs van racen
    • Race! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van racen
    • Race je? 
  4. aanvoegende wijs van racen
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
enkelvoud meervoud
race races

race

  1. (sport): loop, wedloop, race
  2. (techniek): groef of baan waarin de kogels van een kogellager lopen
  3. (techniek): smalle waterloop van een watermolen ect.
  4. ras, soort van mens of dier
vervoeging
onbepaalde wijs to  race 
he/she/it  races 
verleden tijd  raced 
voltooid
deelwoord
 raced 
onvoltooid
deelwoord
 racing 
gebiedende wijs  race 

race

  1. onovergankelijk, (sport) racen, rennen, wedlopen
  • race
  • Uit Middelfrans rasse “het geheel van de voorouders en nakomelingen van dezelfde familie of groep mensen” (1480), “oorsprong, afstamming” (1558), waarschijnlijk ontleend aan Italiaans razza “familie”, “diersoort” [1]
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  race     la race     races     les races  

race v

  1. ras