Naar inhoud springen

meet

Uit WikiWoordenboek
  • meet
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘streep, honk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1618 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord meet meten
verkleinwoord meetje meetjes

demeetv/m

  1. een grensstreep, een eindstreep
    • Aan de meet kwam hij net een wiellengte te kort. 
  • Van meet af aan
Vanaf het begin
 Het was, van meet af aan, een tamelijk rampzalige en extravagante theaterproductie.[2]
 Dat daarin vaak van meet af aan het tegengestelde verborgen zit van waar het de utopische protagonisten om ging, is een van de grote drama's van de moderne geschiedenis die ik in het vervolg uitvoerig zal analyseren.[3]
vervoeging van
meten

meet

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van meten
  2. gebiedende wijs van meten
     'Jij meet met twee maten' lachte oom Hiromi.[4]
94 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[5]
vervoeging
onbepaalde wijs to  meet 
he/she/it  meets 
verleden tijd  met 
voltooid
deelwoord
 met 
onvoltooid
deelwoord
 meeting 
gebiedende wijs  meet 

meet

  1. ontmoeten