peul

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • peul
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bolster’ voor het eerst aangetroffen in 1285 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord peul peulen
verkleinwoord peultje peultjes

Zelfstandig naamwoord

peul v/m

  1. (groente) het langwerpig omhulsel rond erwten, bonen of kapucijners
    • We hebben lekker peentjes en peultjes met nieuwe aardappels en gewelde boter gegeten. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • lust u nog peultjes?
    • Heb je nog iets te zeggen of te vragen? Was er nog iets?
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord peul peule

Zelfstandig naamwoord

peul

  1. (plantkunde) peul
  2. een soort onderkussen over de breedte van het bed
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
peul
gepeul
volledig

Werkwoord

peul

  1. puilen