stageplek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·ge·plek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stageplek stageplekken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

stageplek v / m

  1. plek waar iemand stage kan lopen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.