brandplek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brand·plek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord brandplek brandplekken
verkleinwoord brandplekje brandplekjes

Zelfstandig naamwoord

brandplek v/m [1]

  1. een plaats met schade door brand
    • Enkele dagen na de ramp stond journalist Roland Oliphant van de Britse krant The Telegraph in het graanveld naast het checkpoint. Tussen de stoppels vond Oliphant een zwarte schroeiplek. „Geblakerde graankorrels markeren de plek waar de hitte het grootst moet zijn geweest”, scheef hij in zijn stuk. „Tussen het verschroeide gras liggen stukken gesmolten plastic en lege flessen.” Kort voor Oliphant had Christopher Miller van de Amerikaanse website Mashable het graanveld bezocht. Op de foto die hij maakte is de brandplek duidelijk te zien. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. NRC Karel KnipSteven Derix 15 juli 2016