piano

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Buffetpiano.
Moderne vleugelpiano.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pi·a·no
Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Italiaans: "piano-forte" (zacht-hard)
enkelvoud meervoud
naamwoord piano piano's
verkleinwoord pianootje pianootjes

Zelfstandig naamwoord

piano v/m

  1. (muziekinstrument) algemene benaming voor een groot snaarinstrument waarvan de snaren via een toetsenbord (klavier) door hamertjes zacht of hard kunnen worden aangeslagen
    Er is veel muziek voor de piano geschreven of bewerkt.
  2. (muziekinstrument) specifieke benaming voor het "wandmodel" van instrument [1] waarbij het toetsenbord haaks op de kast staat
    Voor het inspelen was geen vleugel beschikbaar zodat ze zich moest behelpen met piano van de gastouders.
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Bijwoord

piano

  1. (muziek) met een lage geluidssterkte (symbool: p)
    Deze passage moet piano worden gespeeld.
Synoniemen
Antoniemen

Meer informatie


Engels

Uitspraak
  • IPA: /piˈænoʊ/
enkelvoud meervoud
piano pianos

Zelfstandig naamwoord

piano

  1. (muziekinstrument) piano


Esperanto

Zelfstandig naamwoord

piano

  1. (muziekinstrument) piano


Fins

Zelfstandig naamwoord

piano

  1. (muziekinstrument) piano


Frans

Zelfstandig naamwoord

piano

  1. (muziekinstrument) piano


Papiamento

Zelfstandig naamwoord

piano

  1. (muziekinstrument) piano


Spaans

enkelvoud meervoud
piano pianos

Zelfstandig naamwoord

piano

  1. (muziekinstrument) piano