rustig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rus·tig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bedaard, kalm’ voor het eerst aangetroffen in 1475 [1]
  • Afleiding van rust met het achtervoegsel -ig.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen rustig rustiger rustigst
verbogen rustige rustigere rustigste
partitief rustigs rustigers -

Bijvoeglijk naamwoord

rustig

  1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
    • Het is vandaag een heel rustige dag. 
     Franse kinderen schreeuwen niet
    Terwijl Nederlandse moeders over het strand schallen: 'Kevin, hiieeerrr kooomeeen…’, praten Franse moeders alleen op gedempte toon met hun kinderen. Sterker nog; ik heb een heel gezin naast ons een hele dag lang alleen op fluistertoon met elkaar horen praten. Niemand viel uit zijn of haar rol. Heerlijk rustig. Waarom moeten wij eigenlijk altijd zo tetteren?
    [2]
  2. rustig aan: aansporing tot kalmte
    • Hij moet het rustig aan doen. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen