vleugel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vleu·gel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘lichaamsdeel om mee te vliegen’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • van vliegen met het achtervoegsel -el (1) en ablaut
enkelvoud meervoud
naamwoord vleugel vleugels
verkleinwoord vleugeltje vleugeltjes

Zelfstandig naamwoord

vleugel m

  1. een lichaamsdeel van een vogel dat vliegen mogelijk maakt
  2. een onderdeel van een vliegtuig dat vliegen mogelijk maakt
  3. (muziekinstrument) een muziekinstrument met horizontaal gespannen snaren, dat met een klavier (toetsenbord) bespeeld wordt
  4. een deel van een landvoertuig, bijvoorbeeld een auto, dat de aerodynamica bevordert
  5. een deel van een leger
  6. een deel van een politieke partij of stroming
  7. (bouwkunde) elk van de delen van een bouwwerk links en rechts van het middendeel
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
vleugelen

vleugel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vleugelen
    • Ik vleugel. 
  2. gebiedende wijs van vleugelen
    • Vleugel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vleugelen
    • Vleugel je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen