panna

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pan·na
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord panna panna's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

panna v/m

  1. (voetbal) de bal tussen de benen van de verdedigende tegenstander heen spelen
    • Hierna kregen de Red Bull-racers de kans om elkaar te poorten. En de Nederlander doet het zelfs ultiem: hij geeft zijn Australische teamgenoot zelfs een panna achter zijn standbeen. Na de nodige ’oehs’ en ’aahs’ moet Ricciardo zijn meerdere erkennen in Verstappen. Na de ’vernedering’ klapt hij dan ook voor de panna. [1] 
    • Wijkagent Niels Euren in Almelo is de beroerdste niet. Toen freestylevoetballer Soufiane Touzani - die op YouTube ruim 720.000 volgers heeft - hem vroeg of hij hem een panna mocht geven, zei de agent van het politiekorps in Almelo volmondig ja. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
37 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen