Naar inhoud springen

juffrouw

Uit WikiWoordenboek
  • juf·frouw
  • In de betekenis van ‘(ongehuwde) vrouw’ voor het eerst aangetroffen in 1451 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord juffrouw juffrouwen
verkleinwoord juffrouwtje juffrouwtjes

dejuffrouwv

  1. (jonge), gewoonlijk ongehuwde, vrouw
     ' Ik vroeg me af wat hij dacht - voelde hij zich gekwetst omdat ze hem niet had verteld dat ze ziek was, of was hij alleen maar geschokt en bedroefd omdat ze dood was? 'Ik wil graag dat u en juffrouw Rudge de begrafenis regelen,' zei hij.[3]
     ' 'Waarom niet? Wat denken ze dat ik heb gedaan?' 'Maakt u zich geen zorgen, juffrouw Bastien.[3]
     Zou ik minder bang zijn geweest als ik had geweten dat me daar het testament van juffrouw Marjorie Quick zou worden voorgelezen? Ik zou het niet weten.[3]
    • Ze was toen nog maar een juffrouwtje, en een echte schoonheid. 
  2. (kindertaal) lerares, onderwijzeres, juf
    • De juffrouw riep ons terug van het schoolplein. 
98 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]