opruimen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·rui·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opruimen
ruimde op
opgeruimd
zwak -d volledig

Werkwoord

opruimen

  1. overgankelijk iets uit de weg ruimen
    • Kun jij die rotzooi even voor mij opruimen? 
  2. iets uitverkopen
    • U krijgt vandaag 20% kassakorting, want we zijn aan het opruimen. 
  3. iets in orde brengen, netjes maken
    • Zo, opgeruimd staat netjes! 
  4. (een gat) ruimer (dus groter) maken
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.