opruimen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·rui·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opruimen
ruimde op
opgeruimd
zwak -d volledig

Werkwoord

opruimen

  1. overgankelijk iets uit de weg ruimen
    • Kun jij die rotzooi even voor mij opruimen? 
  2. iets uitverkopen
    • U krijgt vandaag 20% kassakorting, want we zijn aan het opruimen. 
  3. iets in orde brengen, netjes maken
    • Zo, opgeruimd staat netjes! 
     Haar laatste boek is geen roman geworden. Renate Dorrestein ontdekte al opruimend zoveel spannends in haar huis dat er iets heel anders ontstond.[1]
  4. (een gat) ruimer (dus groter) maken
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Renate Dorrestein op Wikipedia “'Bij je volle bewustzijn je laatste roman schrijven, dat leek me een opdracht waartegen ik niet was opgewassen'” (30 maart 2018), de Volkskrant