clean

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • clean
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen clean cleaner cleanst
verbogen cleane cleanere cleanste
partitief cleans cleaners -

Bijvoeglijk naamwoord

clean

  1. modern, strak
    • Hij werkt in een heel clean wit kantoor zonder frutsels. 
  2. geen drugs meer gebruikend
    • De junk zei dat hij al weken clean was, maar het urineonderzoek toonde aan dat hij loog. 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Engels

Uitspraak
stellend vergrotend overtreffend
clean cleaner cleanest

Bijvoeglijk naamwoord

clean

  1. schoon
  2. zindelijk
  3. fatsoenlijk
  4. zuiver
vervoeging
onbepaalde wijs to clean
he/she/it cleans
verleden tijd cleaned
voltooid
deelwoord
cleaned
onvoltooid
deelwoord
cleaning
gebiedende wijs clean

Werkwoord

clean

  1. schoonmaken