onthutsen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
onthutsing onthutsend
- onthutst
Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·hut·sen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het verouderde werkwoord hutsen (schudden) met het voorvoegsel ont-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
onthutsen
onthutste
onthutst
zwak -t volledig

Werkwoord

onthutsen

  1. (overgankelijk) in staat van verbijstering brengen
    De conclusies van het rapport onthutsen de Kamer.
Vertalingen