ontstellen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·stel·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontstellen
ontstelde
ontsteld
zwak -d volledig

Werkwoord

ontstellen

  1. overgankelijk in sterke mate verontrusten, van zijn stuk brengen
    • Het afschuwelijke nieuws ontstelde het hele publiek. 

Gangbaarheid