pantoffel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Pantoffels

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pan·tof·fel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘huisschoen’ voor het eerst aangetroffen in 1492 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord pantoffel pantoffels
verkleinwoord pantoffeltje pantoffeltjes

Zelfstandig naamwoord

pantoffel v/m

  1. een comfortabel soort schoeisel bedoeld om in huis te gedragen te worden
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Onder de pantoffel zitten ( of staan)
thuis niets te vertellen hebben
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen