mand

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Manden.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mand
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mand manden
verkleinwoord mandje mandjes

Zelfstandig naamwoord

mand v/m

  1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
    Ze moest de spullen in een mand doen.
Vertalingen

Meer informatie


Deens

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse zelfstandige naamwoord maðr.
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   mand     manden     mænd     mændene  
genitief   mands     mandens     mænds     mændenes  

Zelfstandig naamwoord

mand g

  1. man
    «En 26-årig mand er død, efter at han lørdag morgen blev ramt af et S-tog.»
    Een 26-jarige man is overleden nadat hij zaterdagmorgen werd aangereden door een sprinter.
  2. echtgenoot