Naar inhoud springen

mand

Uit WikiWoordenboek
  • mand
enkelvoud meervoud
naamwoord mand manden
verkleinwoord mandje mandjes

demandv/m

  1. (gereedschap) bak, gemaakt uit vlechtwerk voorzien van een handvat (oorspronkelijk werden plantenstengels als tenen of rotan gebruikt, tegenwoordig ook kunststof of metaal)
    • Ze moest de spullen in een mand doen. 
     Tante Nella zet de mand op de trap en pakt haar bij de armen.[3]
     Zij staat pal naast de mand in het midden, met witte strik in het haar, en hij op de achterste rij schuin achter haar, met een wit overhemd en stropdas.[4]
  • door de mand vallen
bekend worden wat je eigenlijk geheim had willen houden
De dader viel door de mand toen hij beelden van het misbruik deelde via internet. Rechercheurs ontdekten aan de hand van de beelden in welke motelkamer de video was opgenomen en zochten uit wie voor de kamer had betaald. [5]
  • Een rotte appel in de mand maakt de gehele vrucht tot schand
Stoett-96 [6]
  • Een rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand
als iemand uit een groep een fout maakt benadeelt hij de hele groep; door slechts één persoon kan iedereen van die groep een slechte naam krijgen
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[7]
  • Afkomstig van het Oudnoorse zelfstandige naamwoord maðr.
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   mand     manden     mænd     mændene  
genitief   mands     mandens     mænds     mændenes  

mand g

  1. man
    «En 26-årig mand er død, efter at han lørdag morgen blev ramt af et S-tog.»
    Een 26-jarige man is overleden nadat hij zaterdagmorgen werd aangereden door een sprinter.
  2. echtgenoot