kauwen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kau·wen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘met de kiezen vermalen’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • (erfwoord) Van Germaans *kewwanan. [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kauwen
kauwde
gekauwd
zwak -d volledig

Werkwoord

kauwen

  1. (m.b.t. voedsel) fijnmaken met de tanden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

kauwen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kauw

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen