lis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lis
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘plant’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240.[1]
  • Naast gewestelijk leus, luujsch, luisbloom; uit Middelnederlands lissc(h)e, lisch, lessc(h)e, lesch(e). Verwant met Nederduits Leesch ‘riet’, Luxemburgs Lëtsch ‘riet’ en Duits Liesch(e) ‘egelskop, lisdodde’.[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord lis lissen
verkleinwoord lisje lisjes

Zelfstandig naamwoord

lis

  1. m en o: een plant uit het geslacht Iris.
    • Er stonden lissen langs de kant van de sloot. 
  2. v/m: een strik of lus gemaakt van een draad of touw.

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord lis liste
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Nederlandse list

Zelfstandig naamwoord

lis

  1. list


Latijn

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

līs v

  1. twist, betwisting
  2. (juridisch) rechtsgeding, proces
  3. het voorwerp van de betwisting of het proces
Verbuiging



Limburgs

Zelfstandig naamwoord

lis

  1. (plantkunde) lis
  2. list


Pools

Uitspraak
Woordafbreking
  • lis
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Slavische *lisъ

Zelfstandig naamwoord

lis m

  1. (dierkunde) vos
Verbuiging
Verwante begrippen


Slowaaks

Woordafbreking
  • lis

Zelfstandig naamwoord

lis m

  1. pers
Verwante begrippen


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • lis

Zelfstandig naamwoord

lis monbezield

  1. pers
Verbuiging
Synoniemen
Gelijkklinkende woorden
Verwante begrippen
Anagrammen

Meer informatie

Verwijzingen