hybride

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hy·bri·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hybride hybrides
hybriden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hybride v/m

  1. entiteit met twee of meer heel verschillende eigenschappen
  2. levend wezen waarvan de ouders geen soortgenoten van elkaar zijn
    • Een muilezel is een hybride van een ezel en en paard 
  3. een auto met zowel een benzinemotor als een elektromotor voor de aandrijving
    • De Toyota Prius was een van de eerste hybrides. 
Synoniemen
  1. kruising, bastaard
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen hybride hybrider
verbogen hybridere
partitief hybrides hybriders -

Bijvoeglijk naamwoord

hybride

  1. met twee of meer heel verschillende eigenschappen
     `Onze gasten kunnen gerust slapen in de wetenschap dat hun vertrekken duchtig worden bewaakt; zei Montebello. `Om zich toegang te verschaffen tot de bovenverdiepingen dient men te passeren tussen de hybride verschijningsvorm van de angst en het verraderlijk spinnende poesje dat voor raadselen stelt, die respectievelijk staan voor het weinig realistische zelfbeeld van de man en het wezen van de vrouw, als u het mij toestaat u te amuseren met mijn dilettantisme op het gebied van de symboliek.[3]
    • Een hybride fiets is een fiets met de kenmerken van een stadsfiets en een sportfiets.  
Typische woordcombinaties
  • hybride auto*
  • hybride fiets*
Opmerkingen
  • Wanneer hybrideauto of hybridefiets als een gewone vaste combinatie wordt gezien, ligt de hoofdklemtoon op -bri- en wordt het als een woord aan elkaar geschreven, naarmate het meer de bedoeling is om aan te geven dat het een bijzonder type is, krijgt het tweede deel meer klemtoon en wordt het met twee losse woorden geschreven. De schrijfwijze "hybride-auto" is niet de officiële spelling, maar kan daarbinnen worden gebruikt als anders verwarring bij de lezer wordt verwacht. [4]
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. hybride op website: Etymologiebank.nl
  3. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 16
  4. Bronlink geraadpleegd op 15 maart 2022 Weblink bron “Hybrideauto / hybride-auto / hybride auto” (22 juni 2018)
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be