belenen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·le·nen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van lenen met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
belenen
beleende
beleend
zwak -d volledig

Werkwoord

belenen

  1. overgankelijk als onderpand voor een lening gebruiken
    • Dit stuk antiek kan in een pandjeshuis beleend worden. 
  2. overgankelijk (geschiedenis) in het leenstelsel (het feodale stelsel) werd door de leenheer iemand met een leen begiftigd
    • 17 februari 1404: Notitie dat hertog Willem beleende den heer van Egmond en van IJsselsteyn met alsulk goed, als hij tot dezen dage toe van de graaflijkheid van Holland in leen gehouden heeft. 
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.