emprunter
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| emprunter |
empruntais |
emprunté |
| eerste groep | volledig | |
- van vulgair Latijn imprumutuare, een variant van impromutuare van juridisch Latijn promutuari "lenen" [1]
emprunter
- overgankelijk lenen [1], inlenen, in leen hebben/krijgen
- «Il avait emprunté une voiture.»
- Hij had een auto geleend.
- «Il avait emprunté une voiture.»
- ↑ emprunter (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.