kleed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kleed
enkelvoud meervoud
naamwoord kleed klederen
kleren
kleden
verkleinwoord kleedje kleedjes
kleertjes

Zelfstandig naamwoord

kleed o

  1. een stuk weefsel
    1. gebruikt als vloer- of tafelbedekking, tapijt
      er lag een prachtig geboorduurd kleed op tafel
    2. gebruikt als lichaamsbedekking, meestal meervoud
      zijn kleren werden gewassen

Werkwoord

vervoeging van
kleden

kleed

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleden
    Ik kleed.
  2. gebiedende wijs van kleden
    Kleed!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleden
    Kleed je?