kleed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kleed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kleed klederen
kleren
kleden
verkleinwoord kleedje kleedjes
kleertjes

Zelfstandig naamwoord

kleed o

  1. een stuk weefsel
    1. gebruikt als vloer- of tafelbedekking, karpet, tapijt
      er lag een prachtig geborduurd kleed op tafel
    2. gebruikt als lichaamsbedekking, meestal meervoud, gewaad, kleding
      zijn kleren werden gewassen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl

Werkwoord

vervoeging van
kleden

kleed

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleden
    • Ik kleed. 
  2. gebiedende wijs van kleden
    • Kleed! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleden
    • Kleed je?