kleden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kle·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kleden
'kle.dən
kleedde
'kle.də
gekleed
ɣə'klet
zwak -d volledig

Werkwoord

kleden

  1. kleren aandoen
  2. (wederkerend), zich ~: met weefsel bedekken, van kleding voorzien
    Zij kleedt zich altijd volgens de laatste mode.


naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
kleden kledend
kleed gekleed
kleding
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

kleden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kleed
Synoniemen