onderkleed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

heilige gekleed in onderkleed met daaroverheen een mantel
Uitspraak
Woordafbreking
  • on·der·kleed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord onderkleed onderklederen
onderkleren
verkleinwoord onderkleedje onderkleedjes

Zelfstandig naamwoord

onderkleed o [1]

  1. kleding die onder andere kleding gedragen wordt
    • De geliefde is nu geheel ontkleed, op een wit onderkleed na. Als het aan de dichter lag zou zij nu bij hem in bed kunnen komen. Het is een `zacht' bed, natuurlijk, en een `veilige' plek bovendien, en ook nog eens een heilige liefdestempel, volgens hem. Maar zo snel geeft de dame zich niet gewonnen. De dichter zal met nieuwe beelden en redeneringen de boog gespannen moeten houden.[2] 
    • Verder heeft Sotheby’s in drie oude veilingcatalogi beschrijvingen gevonden die lijken te passen op het ontdekte paneel. Bijvoorbeeld in een Amsterdamse catalogus uit 1806: „Hoog 6, breed 5 duim, op Paneel. ’t Afbeeldsel van een bejaard Man, met een witte baard en halfkaal hoofd met witte hairen, gekleed met een bruin Op- en Onderkleed en wit halsdoek, halverlyf met een hand; alleruitvoerigst, helder en delicaat van penceel behandeling.” [3] 
  2. een kleed dat ligt onder een bovenkleed ligt
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Guus Middag 26 november 2004
  3. NRC Arjen Ribbens 23 oktober 2010