inkleden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·kle·den
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

inkleden [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inkleden
kleedde in
ingekleed
zwak -d volledig
  1. overgankelijk iemand van kleren voorzien
  2. overgankelijk (figuurlijk) iemand een officieel gewaad aandoen als teken dat iemand tot een (religieuze) groep hoort
  3. overgankelijk (figuurlijk) op een bepaalde manier onder woorden brengen
    • Intussen is Asscher wel sterk in het inkleden van zijn beleid in een verhaal over sociaal-democratische waarden en idealen.[2] 
  4. overgankelijk (figuurlijk) vormgeven
    • PvdA, SP en GroenLinks willen, met behulp van een parlementaire ondervraging, snel betrokkenen bij de onthullingen van de Panama Papers onder ede horen. Het CDA heeft nog geen steun toegezegd. Kamerlid Pieter Omtzigt liet zondagavond aan NRC weten welwillend tegenover het plan te staan, maar voorlopig nog af te wachten „wie ze willen vragen en hoe ze het willen inkleden”.[3]  
    • Even briljant, maar onvergelijkbaar is de conceptuele strip Hier van Richard McGuire (1957). De Amerikaanse tekenaar springt een boek lang door de tijd, terwijl hij consequent vasthoudt aan één gezichtspunt. Hier lijkt even de geschiedenis van een kamer, waar steeds andere bewoners zich bewegen en de ruimte verschillend inkleden. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC René Moerland 16 december 2014
  3. NRC 11 april 2016
  4. Ron Rijghard 22 januari 2016