ontkleden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·kle·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontkleden
ontkleedde
ontkleed
zwak -d volledig

Werkwoord

ontkleden

  1. wederkerend zich ~: zijn kleding afdoen
    • Jullie kunnen je ontkleden in die paskamer. 
  2. overgankelijk (minder gebruikelijk):iemand ~: iemands kleding afdoen
    • De peuter werd door zijn moeder ontkleed. 
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.