uitkleden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·kle·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitkleden
kleedde uit
uitgekleed
zwak -d volledig

Werkwoord

uitkleden

  1. wederkerend zich ~ de eigen kleding afnemen
    • Hij had zich net uitgekleed om naar bed te gaan. 
  2. overgankelijk van kleding ontdoen
    • Zij kleedde haar kindje uit en legde hem in zijn bedje. 
  3. overgankelijk overdrachtelijk iemand financieel zwaar benadelen
    • Hij werd door die woekeraar helemaal uitgekleed. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.