omkleden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • om·kle·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omkleden
kleedde om
omgekleed
zwak -d volledig

Werkwoord

ómkleden

  1. wederkerend zich ~ andere kleren aandoen.
    • Hij heeft zich snel moeten omkleden. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omkleden
omkleedde
omkleed
zwak -d volledig

Werkwoord

omkléden

  1. overgankelijk met redenen ~: voorzien van deugdelijke argumentatie.
    • Hij omkleedde zijn verzoek met geldige redenen. 
  2. overgankelijk omhullen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.