doopsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • doop·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord doopsel doopsels
verkleinwoord doopseltje doopseltjes

Zelfstandig naamwoord

doopsel o

  1. sacrament waarbij door besprenkeling of onderdompeling iemand tot de christelijk kerk wordt toegelaten en zonden afgewassen worden
    • Er werden deze week veertien doopsels uitgevoerd. 
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie