Naar inhoud springen

kasten

Uit WikiWoordenboek
  • kas·ten

dekastenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kast
     Van alle kasten en laden in huis noemde ze alleen die lade, waar volgens haar in de loop van de tijd allerlei dingen in terecht waren gekomen die wel weg konden.[1]
     Ze doet ondanks haar afkeer van winterkou ramen open en begint weer schoon te maken - bijenwas op bedstijlen, vloerplanken, kasten en vensterbanken, branders met lavendelolie, azijn op glas, druppels citroensap op schone lakens.[2]

dekastenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kaste
vervoeging van
kassen

kasten

  1. meervoud verleden tijd van kassen
    • Wij kasten. 
    • Jullie kasten. 
    • Zij kasten. 
100 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[3]
  1. Teuntje de Haan
    “Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021409375
  2. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
  • kas·ten

kasten, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van kaste
  • kas·ten
Naar frequentie > 50000

kasten, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van kaste
  • kas·ten

kasten, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van kaste
  • kas·ten

kasten

  1. opzettelijk, met opzet, expres, met voorbedachten rade