elan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • elan
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bezieldheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1891 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord elan elans
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

elan o

  1. animo, het enthousiasme om je doel te bereiken
    • Die nieuwe stijl moet de winkel een nieuw elan geven. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen