hok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hok
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bergruimte’ voor het eerst aangetroffen in 1567 [1]
  • [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord hok hokken
verkleinwoord hokje hokjes

Zelfstandig naamwoord

hok o

  1. een bepaald dierenverblijf
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Er gaan veel makke schapen in een hok.
wanneer iedereen rustig blijft, passen veel mensen in dezelfde ruimte
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
hokken

hok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hokken
    • Ik hok. 
  2. gebiedende wijs van hokken
    • Hok! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hokken
    • Hok je? 

Verwijzingen


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

hok

  1. hok