honk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • honk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord honk honken
verkleinwoord honkje honkjes

Zelfstandig naamwoord

honk o [2]

  1. uitgangspunt en vrijplaats bij kinderspelen
  2. (sport) elk van de vier hoekpunten op een softbal- of honkbalveld die een speler moet passeren, wil hij een punt scoren
  3. thuis
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Werkwoord

vervoeging van
honken

honk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van honken
    Ik honk.
  2. gebiedende wijs van honken
    Honk!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van honken
    Honk je?
Gangbaarheid
99 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal