ballasthok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bal·last·hok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ballasthok ballasthokken
verkleinwoord ballasthokje ballasthokjes

Zelfstandig naamwoord

ballasthok o

  1. (waterbeheer) vak gemaakt van tuinen waarin ballast voor het afzinken komt
      De zamenstelling der rijzen zinkstukken moet behalve de daarbij behoorende na te meldene betuining en beballasting en behalve dat, - zoo zulks ter verdieping der ballasthokken in het bestek bepaald is, - de geheele rijsvulling onder het bovenroosterwerk moet gebragt zijn, dezelfde wezen als die van de rijzen bedden, doch moet daarbij vooral gezorgd worden, dat zij de meeste sterkte in de rigting der lengte bekomen, waartoe daarbij de afstand der dwarswiepen 90 duim à 1 el en die der streksche wiepen daarentegen niet meer dan 80 duim mag bedragen.[1]
  2. (scheepvaart) opslagplaats voor ballast voor schepen
      Een adres v/d heer J. Holstein, pachter van het stadsballasthok, er op wijzende, dat wegens de verminderde zeilvaart op deze haven het ballasthok een schadepost wordt voor den pachter, waarom adressant verzoekt, over de 2 jaar huur, die hij er nog aan heeft, eenige tegemoetkoming in het bedrag te mogen genieten.[2]
Verwante begrippen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 10 december 2021 Weblink bron W.A. Froger “Algemeene voorwaarden en bepalingen voor bij bestek binnen het Rijk plaats hebbende werken en leveringen [enz.]” (1857), H.W. Weytingh,, p. 110/111 op nrc.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 10 december 2021 Weblink bron Gemeenteraadsverslag. Harlingen. (22 mei 1897) in: Harlinger Courant op Wikipedia, jrg. 43 nr. 61 (26 mei 1897), W. Houtsma, Harlingen, p. 5 kol. 1

Gangbaarheid