pashok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Zes paskhokjes in een klerenwinkel
Uitspraak
Woordafbreking
  • pas·hok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pashok pashokken
verkleinwoord pashokje pashokjes

Zelfstandig naamwoord

pashok o

  1. hokje in winkel waar je kleding kunt passen
    • "Nu begrijp ik dat je je oude kleren zat was", meldt mijn meewinkelende vriendin opgewekt als ik in nóg een passend prairiepakje uit een pashok kom. En mijn man vraagt bij thuiskomst hoe ik zo bruin heb kunnen worden, in de winter in Londen. Want ik zie er zo gezond uit. Of heb ik iets met mijn haar gedaan? Nee, gewoon nieuwe kleren.[1] 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. NRC Ellen de Bruin 3 januari 2004
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be