dauw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Dauw op het gras

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dauw
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘gecondenseerde waterdamp’ voor het eerst aangetroffen in 1100 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord dauw
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dauw m

  1. condensatiedruppels gevormd op de grond door afkoeling van vochtige lucht
    • Het grasveld was bedekt met dauw. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • voor dag en dauw
heel vroeg in de ochtend
Vertalingen
Gelijkklinkende woorden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
dauwen

dauw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dauwen
    • Ik dauw. 
  2. gebiedende wijs van dauwen
    • Dauw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dauwen
    • Dauw je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen