Naar inhoud springen

dauw

Uit WikiWoordenboek
Dauw op het gras
  • dauw
  • In de betekenis van ‘gecondenseerde waterdamp’ voor het eerst aangetroffen in 1100 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord dauw
verkleinwoord

de dauwm

  1. (meteorologie) condensatiedruppels gevormd op de grond door afkoeling van vochtige lucht
    • Het grasveld was bedekt met dauw. 
  • voor dag en dauw
heel vroeg in de ochtend
  1.  Onder het koken vertelde Barbie mij over zijn werk als hotelmanager en hoe zwaar het was om jarenlang voor dag en dauw op te moeten staan en op alle feestdagen te moeten werken.[3]
vervoeging van
dauwen

dauw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dauwen
    • Ik dauw. 
  2. gebiedende wijs van dauwen
    • Dauw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dauwen
    • Dauw je? 
98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]