genezen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
genezen genezend
genezing genezen


Woordafbreking
  • ge·ne·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘beter (doen) worden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1200 [1]
  • met het voorvoegsel ge- [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
genezen
/ɣən'ezə(n)/
genas
/ɣə'nɑs/
genezen
/ɣə'nezə(n)/
klasse 5 volledig

Werkwoord

genezen

  1. ergatiefgezond worden, herstellen van ziekte of verwonding
    • Het was een wonder dat zij van deze dodelijke ziekte genazen. 
  2. overgankelijk iemand gezond maken, helen
    • Hij werd door een beroemd arts behandeld en genezen. 
     De tweede werd geboren in de zesde eeuw. Eigenlijk was hij een zeer eenvoudige monnik, die later abt werd van het klooster in Myra. Een bijzonder vrome man, die door zijn gebed de mensen kon genezen. Hij overleed op 10 december van het jaar 564.[3]
Afgeleide begrippen
Anagrammen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Voorkomen is beter dan genezen.
door voorzichtig te zijn kun je problemen en ongelukken voorkomen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

genezen

  1. weer gezond geworden
    • De genezen wond is nog wat gevoelig. 
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van genezen: de stam met de uitgang -en, zonder ge- vanwege voorvoegsel (is gelijk aan de onbepaalde wijs)

Werkwoord

vervoeging van
genezen

genezen

  1. voltooid deelwoord van genezen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen