heler

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Hehler

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • he·ler
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord heler helers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

heler m

  1. iemand die bereid is om gestolen goederen op te kopen
    • Ook de heler werd gearresteerd. 
  2. (beroep) iemand die de gezondheid van anderen herstelt of althans behandelt
    • Hij stond wijd en zijd als heler bekend. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Deens

Woordafbreking
  • he·ler
Naar frequentie 12153

Werkwoord

heler

  1. tegenwoordige tijd van hele


Noors

Woordafbreking
  • he·ler
Naar frequentie 23964

Werkwoord

heler

  1. tegenwoordige tijd van hele

Zelfstandig naamwoord

heler, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van hele


Nynorsk

Woordafbreking
  • he·ler

Zelfstandig naamwoord

heler, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van hele