rijp

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rijp
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rijp -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

rijp m

  1. (meteorologie) rijm, aangevroren mist
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
rijpen

rijp

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijpen
    • Ik rijp. 
  2. gebiedende wijs van rijpen
    • Rijp! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijpen
    • Rijp je? 
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen rijp rijper rijpst
verbogen rijpe rijpere rijpste
partitief rijps rijpers -

Bijvoeglijk naamwoord

rijp

  1. tot volwassenheid gekomen zijnde
    • Hij is rijp voor de tien kilometer. 
  2. de eetbare toestand bereikt hebbend
    • Alleen de rijpe vruchten zijn lekker. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl
  3. etymologiebank.nl
  4. etymologiebank.nl