kabeljauw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·bel·jauw
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1101 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kabeljauw kabeljauwen
verkleinwoord kabeljauwtje kabeljauwtjes

Zelfstandig naamwoord

kabeljauw m

  1. (voeding) (vissen) Gadus morhua op Wikispecies, middelgrote zoutwatervis, uitstekende consumptievis, bedreigd door overbevissing
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Een spiering (schelvis) uitwerpen om een kabeljauw te vangen
iets kleins aan een ander geven met de gedachte zelf iets groots terug te krijgen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen