genot

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·not
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord genot -
verkleinwoord genotje genotjes

Zelfstandig naamwoord

genot o

  1. genoegen, plezier
    • Het was een genot om hier weer te zijn. 
  2. gebruik, voordeel, profijt
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen


Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen