Naar inhoud springen

genot

Uit WikiWoordenboek
  • ge·not
enkelvoud meervoud
naamwoord genot -
verkleinwoord genotje genotjes

hetgenoto

  1. genoegen, plezier
     Deel I bestaat uit de geschriften van een 'estheet', iemand die zijn leven in dienst stelt van zijn zintuigen en van genot en vervoering.[3]
     Aan de tafel bij het raam zitten Gijs en Giorgos met elkaar te kletsen onder het genot van een borrel.[4]
    • Het was een genot om hier weer te zijn. 
  2. gebruik, voordeel, profijt
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]