genotzuchtig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·not·zuch·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen genotzuchtig genotzuchtiger genotzuchtigst
verbogen genotzuchtige genotzuchtigere genotzuchtigste
partitief genotzuchtigs genotzuchtigers -

Bijvoeglijk naamwoord

genotzuchtig [1]

  1. geobsedeerd door genotzucht
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen