genoegen
Uiterlijk
- ge·noe·gen
- In de betekenis van ‘voldoening’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1393 [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | genoegen | genoegens |
| verkleinwoord | genoegentje | genoegentjes |
het genoegen o
- iets waar men plezier aan beleeft
- Het was een waar genoegen deze oude vrienden weer eens te ontmoeten.
- ▸ Derhalve nodig ik u met veel genoegen uit om voor een proefperiode van een week de rol van typiste op u te nemen.[2]
- ▸ De Brandts hebben de familie Van Loos uitgenodigd om na de ceremonie naar de Herengracht te komen, en volgens Jacob heeft de familie die uitnodiging met genoegen aangenomen.[3]
- Het woord genoegen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "genoegen" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ "genoegen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑ Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx“Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024586332 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be