Naar inhoud springen

genoegen

Uit WikiWoordenboek
  • ge·noe·gen
  • In de betekenis van ‘voldoening’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1393 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord genoegen genoegens
verkleinwoord genoegentje genoegentjes

hetgenoegeno

  1. iets waar men plezier aan beleeft
    • Het was een waar genoegen deze oude vrienden weer eens te ontmoeten. 
     Derhalve nodig ik u met veel genoegen uit om voor een proefperiode van een week de rol van typiste op u te nemen.[2]
     De Brandts hebben de familie Van Loos uitgenodigd om na de ceremonie naar de Herengracht te komen, en volgens Jacob heeft de familie die uitnodiging met genoegen aangenomen.[3]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]