genieten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
genieten genietend
genot genoten
genieting
geneugte
Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·nie·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • van Middelnederlands ghenieten, met het voorvoegsel ge-, verwant aan nut en genoot[1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
genieten
/ɣə.ni.tə(n)/
genoot
/ɣə.'not/
genoten
/ɣə.'no.tə(n)/
klasse 2 volledig

Werkwoord

genieten

  1. overgankelijk voordeel hebben van iets.
    • Het bedrijfsleven geniet er vele belastingvoordelen. 
Vaste voorzetsels

genieten van

  1. aangename gevoelens ergens door beleven.
    • Hij geniet er altijd enorm van. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie