geloven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·lo·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
geloven
geloofde
geloofd
zwak -d volledig

Werkwoord

geloven

  1. overgankelijk overtuigd zijn dat iets waar is
    • Hij geloofde dat de aarde door vliegende schotels bezocht werd. 
  2. overgankelijk iemand ~: zich door iemand laten overtuigen
    • Hij geloofde de oplichter en deze wist hem veel geld af te troggelen. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Eraan moeten geloven
of iemand wil of niet, het moet toch gebeuren
  • Ergens geen sikkepit van geloven
niets ervan geloven
  • Ergens geen spaan van geloven
niets ervan geloven
  • Iemand op woord geloven.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

geloven mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord geloof

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl