biofruit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bio·fruit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord biofruit
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

biofruit o

  1. fruit dat geteeld is op een manier die voldoet aan de criteria van bepaalde keurmerken (zoals EKO, Europees Biologisch en Demeter)
    • De schoonbroer van Eddy Vonck teelt biofruit op de familiale boerderij. Vonck en zijn vrouw kweken er biokippen en ander gevogelte.[1] 
    • Biologische voeding is gezonder. Dat blijkt uit een groot Europees onderzoek van de universiteit van Newcastle dat vier jaar heeft geduurd en waarover Het Laatste Nieuws en De Morgen maandag berichten. Biofruit en -groenten bevatten 40 procent meer antioxidanten die de kans op kanker en hart- en vaatziekten verminderen. Bioproducten zijn ook rijker aan vitamine C, ijzer en zink.[2] 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. de Standaard 09/07/2012 door Jan Bosteels Bankier en hobbyboer
  2. de Standaard 29/10/2007 Bio eten is echt gezonder
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be