Naar inhoud springen

abuis

Uit WikiWoordenboek
  • abuis
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vergissing’ voor het eerst aangetroffen in 1410 [1]
  • uit het Latijn [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord abuis abuizen
verkleinwoord abuisje abuisjes

hetabuiso

  1. misvatting, vergissing, misverstand, fout
     De hond, Levi Shotz, is per abuis op de zwarte lijst gezet. De hond vermoedt dat die ernst, je zou het zelfs intelligentie kunnen noemen, die hij bij andere honden niet of nauwelijks bespeurt, bij hem is teweeggebracht doordat wijlen zijn baasje, een in ongenade geraakte historicus, hem zijn clandestiene politieke pamfletten voorlas.[3]
stellend
onverbogen abuis
verbogen (alleen
predicaat)

abuis

  1. mis, verkeerd
    • Hij gaf grif toe dat hij abuis was. 
  • abuis zijn
zich vergissen
  • per abuis
per ongeluk
96 %van de Nederlanders;
92 %van de Vlamingen.[4]