fase

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fa·se
enkelvoud meervoud
naamwoord fase fasen, fases
verkleinwoord fasetje fasetjes

Zelfstandig naamwoord

fase v

  1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
    In de internationale literatuur zijn er nauwelijks gegevens over patiënten in de laatste fase van dementie.
  2. (astronomie) een van de schijngestalten van de maan of een andere planeet
    De maan die wij vanaf de aarde kunnen zien heeft 4 grote, verschillende fasen. Deze fasen vormen samen een cyclus die exact 29,53 dagen duurt.
  3. (natuurkunde) één van de reeks toestanden die een kringproces eindeloos herhaalt
    (elektrotechniek) als men een periodiek signaal voorstelt als een cirkel die met eenparige snelheid eindeloos wordt doorlopen is een fase gelijk aan een punt op die cirkel
  4. (scheikunde) een verschijningsvorm van een stof met homogene chemische en fysische eigenschappen
    Stoffen kunnen voorkomen in 3 fasen: de vaste, vloeibare en gasvormige fase.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • fa·se
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Griekse naamwoord φασισ (phasis).
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
fase
faser
faset
fasa
faset
fasa
Klasse 1 zwak

Werkwoord

fase

  1. afschuinen (bord)
Synoniemen

Werkwoord

fase inn

  1. geleidelijk instellen.

Werkwoord

fase ut

  1. geleidelijk aflopen.

Zelfstandig naamwoord

fase m

  1. fase, periode
    «Vi er i en fase der vi ønsker å bygge opp et urodynamisk team.»
    We zitten in een fase dat we een urodynamisch team op willen bouwen.
  2. (astronomie) fase, schijngestalte
    «Bruk teleskopet og finn ut hvilken fase Venus har.»
    Gebruik de telescoop en ontdek welke fase Venus heeft.
  3. (scheikunde) fase, verschijningsvorm
    «Som eksempel på et system med tre faser kan nevnes is, vann og vanndamp.»
    Als voorbeeld van een systeem met drie fasen kunnen ijs, water en waterdamp genoemd worden.
  4. (natuurkunde) fase, golfgedeelte
    «Fase i bølgeform er en sekvens av en bølge, fra en bølges topp punkt, til det neste.»
    Een fase in golfvorm is een opeenvolging van een golf; van een golfpiek naar het volgende.
  5. (elektronica) oscillatie of spanning bij wisselstroom.
    «Antall faser angir antall enkle strømmer som går inn i systemet.»
    Het aantal fasen geeft het aantal eenvoudige stromingen aan die het systeem binnenkomen.
  6. (elektronica) fasedraad
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   fase     fasen     faser     fasene  
genitief   fases     fasens     fasers     fasenes  
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • fa·se
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Griekse naamwoord φασισ (phasis).
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
fase
fasar
fasa
fasa
Klasse 1 zwak

Werkwoord

fase

  1. afschuinen (bord)

Werkwoord

fase inn

  1. geleidelijk instellen.

Werkwoord

fase ut

  1. geleidelijk aflopen.

Zelfstandig naamwoord

fase m

  1. fase, periode
  2. (astronomie) fase, schijngestalte
  3. (scheikunde) fase, verschijningsvorm
  4. (natuurkunde) fase, golfgedeelte
  5. (elektronica) oscillatie of spanning bij wisselstroom.
  6. (elektronica) fasedraad
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   fase     fasen     fasar     fasane  
genitief                        
Afgeleide begrippen