Naar inhoud springen

elektriciteit

Uit WikiWoordenboek
verdeling elektriciteit in trafohuisje
  • elek·tri·ci·teit
enkelvoud meervoud
naamwoord elektriciteit -
verkleinwoord - -
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘natuurkracht die door wrijving wordt opgewekt’ voor het eerst aangetroffen in 1736 [1]
  • Afgeleid van het Neolatijnse woord electricus, wat "van barnsteen" betekent, dat zelf weer van ήλεκτρον [elektron] komt, het Griekse woord voor "barnsteen".
  • afgeleid van elektrisch met het achtervoegsel -iteit

deelektriciteitv

  1. (natuurkunde) de verzameling verschijnselen die met elektrische lading van doen hebben
  2. (elektrotechniek) de elektrische stroom als energiedrager
     Als gevolg daarvan is er geen gas en geen (warm) water en elektriciteit op het park.[2]
     Ik was goed in kaarsen aansteken, aangezien de elektriciteit in Admiral House, vooral sinds de oorlog, niet betrouwbaar was.[3]
    • Zo'n 80 procent van de elektriciteit die in Nederland wordt verbruikt, gebeurt door zakelijke verbruikers, de resterende 20 procent door huishoudens 
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[4]
  1. "elektriciteit" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 11-7-2025 Weblink bron “Gedupeerde vakantiegangers in Domburg balen: 'Hebben er lang voor gespaard'” (11-7-2025), NOS
  3. Lucinda Riley
    “De vlinderkamer” (2020), Xander Uitgevers, ISBN 9789401612074
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be